| Project |
|
Intro Nieuws Documentatie |
| Downloads |
|
Spellingbestanden Software Bestanden |
| Meedoen |
|
Projecten Woorddetails Woorden bijdragen Synoniemen Grammatica Statistiek Suggesties? Mailinglists |
| Overig |
|
Licentie Wie zijn wij? English Zoeken Links |
Basiswoorden en flexievormenBij de certificatieprocedure van de woordenlijst is een vereiste dat de woordenlijst alleen basiswoorden bevat en geen flexievormen. Maar wat is het verschil? De NTU geeft desgevraagd aan dat met basiswoord hetzelfde wordt bedoeld als een trefwoord van een woordenboek. In het Groene Boekje en in de meeste woordenboeken zijn deze te herkennen aan het feit dat ze vetgedrukt zijn. Een flexievorm is een woord dat van een basiswoord is afgeleid. Vrijwel alle basiswoorden hebben de volgende grammaticale typen:
Flexievormen van een zelfstandig naamwoord zijn: het meervoud en verkleinwoorden (koeken, koekje, koekjes). Flexievormen van een werkwoord zijn de verschillende werkwoordsvormen (sla, slaat, sloegen, geslagen, etc.). Flexievormen van een bijvoeglijk naamwoord zijn de -e vorm (grote) en de trappen van vergelijking (groter, grotere, grootst, grootste). Bijwoorden, voorzetsels, etc. hebben geen flexievormen. Om te bepalen of een woord een basiswoord of een flexievorm is, is er nog de complicatie dat een flexievorm hetzelfde kan zijn als de basisvorm van een ander woord. Zo is sla de flexievorm van het werkwoord slaan, maar ook het zelfstandig naamwoord de sla. Op de bovengenoemde regel bestaan uitzonderingen: er zijn woorden die een flexievorm lijken, maar het niet zijn. Een voorbeeld is spruitje. De betekenis daarvan is immers echt iets anders dan "kleine spruit", en daarom geldt het als afzonderlijk trefwoord. Het kan ook zijn dat het hypothetische basiswoord niet eens bestaat, voorbeelden hiervan zijn gebocheld en uiterst |
